Fysiotherapeuten met een variabel loon ontvangen op basis van hun arbeidsovereenkomst een brutoloon dat berekend wordt op basis van een percentage van de omzet die zij genereren (zittingen x vastgelegd tarief). Op dat percentage worden de werkgeverslasten in mindering gebracht. Het restant is het brutoloon en indien dat goed is vastgelegd in de arbeidsovereenkomst en op de loonstroken, ook een bedrag voor doorbetaling van vakantie- en ADV-dagen en vakantiegeld.

Advertentie:FYGO uitzenden, payrollen voor de fysiotherapeut

Deze constructie van variabele beloning was vastgelegd in de cao voor de vrijgevestigde fysiotherapiepraktijk 2003. Deze cao gold in 2003 voor slechts enkele maanden voor de gehele fysiotherapiebranche. De bepaling van het variabele loon is terug te vinden in artikel 9 van de cao 2003.

Veel arbeidsovereenkomsten bevatten geen verwijzing naar de cao, noch een duidelijke en uitgebreide omschrijving van de ingewikkelde loonmethodiek, maar gaan wel uit van deze oude methodiek. Dat levert extra problemen op voor de houdbaarheid van deze loonmethodiek.

De hierboven omschreven methodiek is in eerste instantie weliswaar geldig, omdat per de datum van het aangaan van de arbeidsovereenkomst de hoogte van de wettelijke werkgeverslasten bekend is en daardoor ook de hoogte van het variabele brutoloon. Anders gezegd de waarde van de arbeid staat in het eerste jaar van de arbeidsovereenkomst vast. De werkgever doet er verstandig aan om de hoogte van de werkgeverslasten in de arbeidsovereenkomst op te nemen, bij het aangaan daarvan. Pas dan is immers de hoogte van het brutoloon transparanter, hoewel je nog steeds salarissoftware nodig hebt om de hoogte van het brutoloon bij omzet x vast te stellen.

De werkgeverslasten en het brutoloon zijn in deze methodiek echter met elkaar communicerende vaten. Stijgende werkgeverslasten in jaar twee dan daalt dienovereenkomstig het brutoloon. Dit wordt veroorzaakt doordat de totale loonkosten een vast percentage van de omzet is. Zodoende schuift de werkgever een ondernemersrisico af op de werknemer. Gevolg: de waarde van de verrichte arbeid daalt ten opzichte van voorgaand jaar.

Voor zover de stijging van de werkgeverslasten volgt uit de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is deze afspraak nietig. Op grond van artikel 20 Wfsv is het de werkgever verboden de premies van deze wet te verhalen op de werknemer. Dit verhaalsverbod geldt al jaren. De werknemer kan de gestegen premies terugvorderen van de werkgever, omdat de afspraak nietig is. Daarbij kan de werknemer ook de wettelijke verhoging van maximaal 50% vorderen, die door rechters vaak wordt gematigd tot 20-25%.

Nu zal het per individu mogelijk gaan om enkele tientjes per maand, maar op grotere schaal, uitgaande van bijvoorbeeld 2.000 fysiotherapeuten die zodanig worden betaald, kan het oplopen tot grote bedragen in de branche. Deze collectieve benadeling wordt nu nog individueel opgelost door een addendum bij de arbeidsovereenkomst te sluiten, hetgeen toe te juichen is. Het zou echter nog fraaier zijn indien dit probleem, veroorzaakt door een oude cao, collectief wordt opgelost door het sluiten van een nieuwe cao.

Nu geldt aan de andere kant ook dat een verlaging van de werkgeverslasten zorgt voor een verhoging van het brutoloon. In dat geval is de afspraak niet ongeldig. De vraag is echter of de werkgeverslasten in een dergelijk geval jaren achtereen blijven dalen, hetgeen te betwijfelen valt.

Verschillen in hoogtes werkgeverslasten kunnen in de branche voorkomen voortvloeiend uit het feit dat kleine, middelgrote en grote ondernemers verschillende hoogtes wettelijke werkgeverslasten dragen.

Tot slot is het verhalen van de werkgeverslasten ook strafbaar volgens art. 125 lid 2 Wfsv, een reden te meer om dit probleem met gebundelde krachten collectief aan te pakken.

 

Door Patrick Rojer
patrick.rojer@sagiure.com

 

Bovenstaande column verscheen eerder ook in SalarisMagazine (vakblad voor salarisadministrateurs)

Advertentie:bezoek fysiovacature.nl